vrijdag 7 mei 2021

MIJN TAAL, MIJN LEEFTIJD


“Ha Petra”, spreek ik mijn jongere buurvrouw aan. Hun kinderen vinden mij vet cool, wat ik als compliment heb leren beschouwen. Maar zeg ik tegen deze buurkinderen dat hun Cito-toets, vet, gaaf is, dan denken ze dat ik van de maan ben gevallen. 


Schoorvoetend knuffel ik de vierjarige tweeling van het huis even verderop. De kinderen kennen mij hun hele leventje en met hun ouders hebben wij al zo lang contact als we het vakantiehuis hebben in deze glooiende omgeving. “Geef maar een handje en een dikke kus”, probeer ik in mijn beste Frans, maar pas als hun moeder mij vertaalt in het Frans dat de kinderen wel verstaan, krijg ik de omhelzing. Ongetwijfeld vinden die kinderen mij cool en gaaf, maar ofschoon de kinderen mij wel verstaan, spreek ik vreemd voor hen. Ik geef toe dat ik, toen ze nog wat jonger waren, volop Nederlands tegen de peuters kletste. Toen letten ze niet op mijn woorden maar op de intonatie van mijn stem. Het klonk vriendelijk en vertrouwd. Nu echter maken ze al perfectere Franse zinnen dan ik. 

Schreef mijn vader vaak nog over menschen en schoolen, waarbij ik me schaamde over zoveel fouten, tegenwoordig heb ik zelf de grootste moeite om het Groene Boekje bij te benen. Waarom koop ik niet twee runderen lapjes maar runderlapjes en blijft het wel rundsvlees, terwijl ik van één kip echt maar één kippenbout op kan. De knuppel gaat helemaal in het hoenderenhok, wanneer een nichtje mij een brief stuurt vanuit Canada waarheen haar ouders in de zestiger jaren emigreerden. Zij en haar broer spreken het Brabantse dialect van voor de Tweede Wereldoorlog en schrijven dat ook zo. Geboren en getogen in Canada uit Nederlandse ouders van wie zij tweeën de moerstaal leerden spreken, fonetische vertaald naar papier, doet me hoofdschuddend lachen. “Ons moi en ’s poi wurre ouw” schrijft ze wanneer ze vindt dat haar ouders ouder worden. 

Precies zo sprak mijn vader die woorden uit. Onze kinderen lezen zo’n brief erg moeizaam en onze kleinkinderen komen er helemaal niet meer uit. De moderne taal-versie wordt de jeugd eigen gemaakt, zoals dat in mijn jeugd ook zo gebeurde en tijdens de jeugdjaren van onze ouders evenzo. Wij, grootgebracht tijdens de “roary sixties, blijven ons afvragen of het nou vogelennest of vogels-nest is, want er zitten altijd meerdere vogels in een nest. Door ook alle aksentjes dezelfde richting in te sturen is het moeilijk geworden om nog wat muziek in geschreven zinnen te houden. In ieder geval hebben ze aksentjes weer teruggezet naar accentjes, zodat ik voortaan mijn leven lang fouten in mijn teksten zal schrijven. De accent grave in misère brengt je stem automatisch omlaag en als je maar één vogel in je hand hebt, gaan zowel je stem als je ogen automatisch naar de lucht om te zien of er daar echt nog tien vliegen. Sommige accentjes zijn ook weer teruggedraaid, maar ik onthoud natuurlijk niet welke wel of welke niet.

Ach kleinzoon, over enkele maandjes ga je naar de eerste kla..., sorry, naar groep drie. Met Kerstmis schrijf je zelf je eerste kerstkaart, vol foutjes. Maar scheetje, ik schrijf je een kaartje terug en ook met foutjes. Niet als jij, omdat je nog veel moet leren, maar omdat ik, als oma veel van wat ik leerde moet zien te vergeten. Cool.









zondag 2 mei 2021

Relaxt in bad?


Het is nog net geen topsport om een bad te nemen. Uitgebreid neem ik er de tijd voor. Ik mik de juiste temperatuur op iets te warm om in te baden, want het koelt wel af terwijl het bad volloopt. 

Geurend badschuim erin en dan ga ik alvast zitten in dat bodempje lauw water. Met de handdouche maak ik mijn haren nat. Oei, iets te heet. Even iets bijregelen. De shampoo die ik gebruik schuimt niet, dus neem ik een extra portie en was mijn haren, terwijl ik steeds de handdouche van de kraan - voorbij mijn voeten - af moet nemen. 

Wanneer ik mijn schuimloze haren uitspoel, tast ik opnieuw naar de shampoo en herhaal het hele ritueel. Hoera, er komt wat schuim. 

Intussen is het bad halfvol (positief gezegd), als ik mijn haar weer uitspoel. Mijn ogen prikken geweldig als ik het etiket bekijk of ik toevallig niet een conditioner gebruikte in plaats van shampoo, iets wat me eerder overkwam. Daarom maken de fabrikanten de uiterlijke verschillen ook zo klein mogelijk. Uitspoelend zie ik met de shampoo ook het badschuim verdwijnen. Ik pak de washand en een groot stuk zeep en ga liggen in dat bad, omdat mijn schouders en rug nu wel erg koud zijn. Het bad is te kort, want óf mijn voeten, óf mijn opgetrokken knieën worden paars van de kou. In beide gevallen blijven mijn borsten bovendrijven, omdat het bad ook te ondiep is. 

Omdat het bad veel te smal is, wring ik me linksom, zodat ik met de washand rechts wat rug kan wassen. Terugdraaiend puf ik even uit en draai me vervolgens rechtsom om links wat rug te kunnen inzepen, ofschoon alle zeep van de washand spoelt zodra die in het water komt. Steunend op voeten en schouders druk ik mijn buik omhoog zodat daar wel degelijk wat zeep komt. Om mijn onderrug en onderbuik te kunnen wassen met zeep ga ik maar staan, om vervolgens weer te gaan liggen met mijn voeten boven, want mijn knieën werden blauw. 


Mijn benen was ik, zoals je dat in films ziet. Het laatste restje badschuim drijft ergens bij mijn enkels en met benen en voeten haal ik het schuimwolkje naar me toe. Met één been in de lucht, veel zeep op de washand, was ik het been als een filmster. Dat is zowat het enige van het bad ritueel wat in een film kan. De rest is onelegante gymnastiek. Juist voor het tweede filmsterrenbeen klaar is hoor ik het badwater weglopen in de overloop van het bad. Vol is vol. Kraan dicht en eindelijk relaxen in het snel afkoelende water en dromen van de champagne die in bad gedronken kan worden? Of stop eruit en afspoelen. Ik besluit dat laatste. Ik rek me voor het laatst uit naar de handdouche en trek meteen de stop uit het bad. Zittend met de handdouche spoel ik mijn haren nogmaals uit en laat nog wat van het warme water over mijn afgekoelde bovenlijf lopen. Ik hijs me omhoog, spoel me verder af en druk de kraan dicht. 

Met een ruwe handdoek droog ik eerst mijn haar wat en wrijf me daarna verder droog. Een restje schuim en wat losse haren blijven venijnig achter. 


Ik klim uit het te korte, te smalle, te ondiepe Franse bad, pak wat closetpapier om de haren mee te verwijderen, spoel de zeepresten weg en droog mijn voeten, waarna ik het bad schoonmaak. Ziezo, nu nog de föhn om mijn druppelende ragebol te fatsoeneren, lotion om mijn huid te hydrateren, na al die milde zeep en iets om mijn haren te beschermen tegen de hitte van de föhn. Na precies veertig minuten ben ik verkwikt en aangekleed terug in de kamer waar mijn man vraagt of ik een dutje heb gedaan. Ik zal er misschien relaxt hebben uitgezien maar ik zeg hem: “nee hoor, ik heb even gesport”.