“Ha Petra”, spreek ik mijn jongere buurvrouw aan. Hun kinderen vinden mij vet cool, wat ik als compliment heb leren beschouwen. Maar zeg ik tegen deze buurkinderen dat hun Cito-toets, vet, gaaf is, dan denken ze dat ik van de maan ben gevallen.
Schoorvoetend knuffel ik de vierjarige tweeling van het huis even verderop. De kinderen kennen mij hun hele leventje en met hun ouders hebben wij al zo lang contact als we het vakantiehuis hebben in deze glooiende omgeving. “Geef maar een handje en een dikke kus”, probeer ik in mijn beste Frans, maar pas als hun moeder mij vertaalt in het Frans dat de kinderen wel verstaan, krijg ik de omhelzing. Ongetwijfeld vinden die kinderen mij cool en gaaf, maar ofschoon de kinderen mij wel verstaan, spreek ik vreemd voor hen. Ik geef toe dat ik, toen ze nog wat jonger waren, volop Nederlands tegen de peuters kletste. Toen letten ze niet op mijn woorden maar op de intonatie van mijn stem. Het klonk vriendelijk en vertrouwd. Nu echter maken ze al perfectere Franse zinnen dan ik.
Schreef mijn vader vaak nog over menschen en schoolen, waarbij ik me schaamde over zoveel fouten, tegenwoordig heb ik zelf de grootste moeite om het Groene Boekje bij te benen. Waarom koop ik niet twee runderen lapjes maar runderlapjes en blijft het wel rundsvlees, terwijl ik van één kip echt maar één kippenbout op kan. De knuppel gaat helemaal in het hoenderenhok, wanneer een nichtje mij een brief stuurt vanuit Canada waarheen haar ouders in de zestiger jaren emigreerden. Zij en haar broer spreken het Brabantse dialect van voor de Tweede Wereldoorlog en schrijven dat ook zo. Geboren en getogen in Canada uit Nederlandse ouders van wie zij tweeën de moerstaal leerden spreken, fonetische vertaald naar papier, doet me hoofdschuddend lachen. “Ons moi en ’s poi wurre ouw” schrijft ze wanneer ze vindt dat haar ouders ouder worden.
Precies zo sprak mijn vader die woorden uit. Onze kinderen lezen zo’n brief erg moeizaam en onze kleinkinderen komen er helemaal niet meer uit. De moderne taal-versie wordt de jeugd eigen gemaakt, zoals dat in mijn jeugd ook zo gebeurde en tijdens de jeugdjaren van onze ouders evenzo. Wij, grootgebracht tijdens de “roary sixties, blijven ons afvragen of het nou vogelennest of vogels-nest is, want er zitten altijd meerdere vogels in een nest. Door ook alle aksentjes dezelfde richting in te sturen is het moeilijk geworden om nog wat muziek in geschreven zinnen te houden. In ieder geval hebben ze aksentjes weer teruggezet naar accentjes, zodat ik voortaan mijn leven lang fouten in mijn teksten zal schrijven. De accent grave in misère brengt je stem automatisch omlaag en als je maar één vogel in je hand hebt, gaan zowel je stem als je ogen automatisch naar de lucht om te zien of er daar echt nog tien vliegen. Sommige accentjes zijn ook weer teruggedraaid, maar ik onthoud natuurlijk niet welke wel of welke niet.
Ach kleinzoon, over enkele maandjes ga je naar de eerste kla..., sorry, naar groep drie. Met Kerstmis schrijf je zelf je eerste kerstkaart, vol foutjes. Maar scheetje, ik schrijf je een kaartje terug en ook met foutjes. Niet als jij, omdat je nog veel moet leren, maar omdat ik, als oma veel van wat ik leerde moet zien te vergeten. Cool.