dinsdag 10 februari 2026

ONKRUIDBOMEN



Nog steeds ontdek ik nieuwe dingen in de tuin die ik jaren geleden kocht met het huis dat daarbij hoorde. Ogenschijnlijk een mooie tuin met een uitzicht dat ik nog moest veroveren. Intussen, een aantal jaren later was ik de brandnetel meester. De meeste bramenstruiken waren gerooid en vernietigd, terwijl ik er nooit één braam aan heb zien hangen en alle mij onbekende grassoorten zijn met de diverse bloempjes kort gemaaid.

Tussen de zieke buxus staat een halfdode hazelaar, omgeven door tientallen nieuwe scheuten van zo’n zes meter hoog. De meeste scheuten moeten daar weg. Even verderop krijgt een leycesteria geen licht vanwege ook zo’n brede hazelaar. Bij nadere beschouwing is de oude stronk van die hazelaar weggehaald, maar tientallen jonge scheuten waaieren alle kanten uit. Die moeten dus ook weg. Eerder gezegd dan gedaan. Het taaie hout laat zich moeilijk zagen. De stronk kan niet uit de grond, dus blijft er een litteken achter. Dezelfde littekens zie ik in het gazon. Ooit stonden daar bomen en waarschijnlijk hazelnotenbomen. De eerste jaren ruimden we handmatig acht bomen, erop hopend dat de zwammen de stronken zouden opruimen, terwijl de klimop (Hedera) alles mooi bedekt. 

De lelies die mooi in bloei stonden blijken rond een dergelijke stronk te staan, want regelmatig vind ik uitschot van de hazelaar rond de lelies terug. Wat ik aan takken terugsnoei komt dubbel terug, zodat de bomen steeds breder worden. Iedere dag trek ik de zaailingen uit de grond van niet alleen de hazelaar, maar ook van de es (Acer) en de plataan (Platanus). Kleine plantjes nog, maar al wel stevig geworteld. Sommige zijn al een halve meter hoog vóór ik ze ontdek. De buren hebben in hun verwilderd stuk grond enkele reuzenplatanen staan, dus die zaailingen heb ik ieder jaar weer, net als de vele, vele wilde seringen en acacia’s.

In het najaar kwamen enkele vrienden wat bomen ophalen. Ik kon zestig seringen leveren, tientallen acacia’s en honderden platanen en hazelaars. Eén enkele eik ontdekte ik, maar die mag nog een jaartje. Zelfs mijn ‘steriele’ beuk produceerde zaailingen en zoiets moois had ik nog nooit gezien. Zo’n opkomende beukje begint met twee kiemblaadjes glanzend als leer, langs een teer stengeltje. Het lijkt een groene vlinder. In het midden een rossig puntje dat het begin is van twee echte beukenblaadjes. Erg mooi om te zien. Dit is dus geen onkruidboom, maar deze kweek ik op tot een haagje.

Op zoek naar verscholen hazelaars buig ik één van de hoge laurierstruiken open en het lijkt of ik een blik soep opentrek. Ik snuif het aroma nog eens goed op en snoei wat takken die ik naar de keuken breng om te drogen. Ik herinner me het eerste jaar toen wij ons hier vestigden. In mijn bagage bevonden zich twee potjes gedroogde laurierblaadjes. Jawel hoor. Ik betaalde enkele euro’s voor een potje gevuld met een paar van deze blaadjes voor soepen en sauzen. 
Van deze metershoge struiken kon ik duizenden potjes vullen. Kosten? Alleen de potjes. Tak na tak na tak zaagde ik terug tot bijna twee meter hoog. Na twee struiken hield ik het voor gezien. Nog acht te gaan en ik grijnsde naar de zeker tien meter hoge laurier aan onze grens op buurmans kavel. Tienduizend potjes? Mooi twintig mille, maar voorlopig gingen we dagenlang zagen, breken en verpulveren. Nog steeds zwaar werk, zonder machines. Ik creëerde een composthoek van louter hazelaar en laurier en besef dat alle planten en zeker bomen nuttig en mooi zijn, maar een overdosis vormt onkruid; in mijn geval zijn het onkruidbomen.

woensdag 28 januari 2026

DAPHNE EN MURIËL

woensdag, 28 januari 2026

DAPHNE EN MURIËL

Muriël, een Engelse dame van onze Franse tuinclub gaf een voordracht over de planten in haar tuin die deze maand qua geur erg interessant zijn. Ademloos luisterden wij, want ik geloof sterk dat de Engelsen het tuinieren hebben uitgevonden en Muriël in het bijzonder. Ze had enkele kratten bij zich met daarin kleurige takken en geurige bloemen, diezelfde dag vers uit haar januarituin geplukt. Een grote tak mahonia ging rond. 

 

Ik noteerde de naam en later bij mijn vraag vertelde ze dat alleen de japonica zo sterk geurt. Enkele bloeiende takken viburnum gingen rond. Viburnum, waarvan ik de soort heb met schermachtige bloemen, die nauwelijks geuren. De bloeiende takken van Muriël geurden zo sterk dat volgens mijn man, ‘de buren er niet van kunnen slapen’. Nu maak ik me daar geen zorgen over want het huis naast ons is een bankgebouw. Twee keer moest ik Muriël om de naam vragen, want Latijnse plantennamen in de Franse taal uitgesproken door een Engelse en neergeschreven door een Nederlandse vraagt om moeilijkheden. ‘Viburnum x bodnantense Dawn’ verduidelijkte ze.

 

Dan was daar Daphne. Bedrieglijk mooi. Onwaarschijnlijk geurend. Muriël hield een mooie tak omhoog tegelijkertijd met twee viburnumtakken. Een waarlijk schone combinatie. Hier wilde ik de Latijnse naam van weten, zodat ik thuis verder kon zoeken, maar Muriël had zoveel composities en planten, waardoor ze veel vragen moest beantwoorden van alle aanwezigen van onze internationale tuinclub.

Het voordeel van de Engelsen is dat zij kunnen tuinieren. Mijn nadeel is dat ik veel namen van planten ken in de Latijnse en mijn moerstaal, zodat het een hele puzzeltocht wordt om de gangbare Franse naam te vinden van een plant. Andersom, staan in Franse gidsen van tuincentra er niet altijd de Latijnse plantennaam bij. Wanneer dan ook nog de Engelsen de planten benoemen in hun eigen taal raak ik het spoor helemaal bijster. 

 

En nu begon Muriël over Daphne. Een begerenswaardig struikje dat, in combinatie met de door haar genoemde virburnum, een lege hoek geurend en perfect zou kunnen opvullen. Later die avond praatten we nog wat na met een aantal leden van de club, waarvan ik er enkelen niet kende. Muriël stond even bij ons, dus onmiddellijk vroeg ik haar naar Daphne. Snel riep ze me dat ik de ‘odora’ moest kiezen voor de geur en weg was ze weer.

Door de overige gesprekken kwam ik niet verder en was al bang dat ik me weer eerst moest verdiepen in Engelse tuinboeken vooraleer ik achter de Latijnse naam en beschrijving van Daphne kon komen. ‘Ask that lady in that yellow sweater overthere, she knows a lot about gardening’ was het advies van een ander clublid. De dame met de gele trui voegde zich bij ons. ‘Jammer’ zei deze in onvervalst Nederlands, ‘dat de meeste planten van Muriël het niet doen bij mij, Muriël heeft zure grond. Bij haar staan de azalea’s en rododendrons er mooi bij.’

Is Daphne te mooi om waar te zijn? Niet voor niets misèreboompje of peperboompje genoemd. De Virburnum echter zal er zich hopelijk wel thuis voelen. ‘Wij kennen elkaar nog niet?’ vroeg de Nederlandse. Ik noemde mijn naam. ‘Aangenaam’ zei ze. ‘Ik ben Daphne’. 

woensdag 21 januari 2026

MEDEMBLIK

Medemblik, staat er op het lepeltje dat ik - nog in het doosje - in de kast leg. Lepeltje zevenhonderd zoveel. Op de geplakte afbeelding staat kasteel Radboud. Het kasteel hebben we na een lange wandeling van dichtbij aan de buitenkant gezien. Daarvoor liepen we om de haven heen en moesten we dezelfde weg teruglopen. De ingangspoort was dicht toen wij er waren, maar terug aan de overkant van het water zagen we mensen over het gazon lopen aan de binnenzijde van de poort. Het kasteel zag er heel toegankelijk uit. Niet zo groot en imposant als veel andere kastelen. Later zagen wij op internet dat dit een zogenaamd “dwangkasteel” was die vaak in de middeleeuwen werden gebouwd om dwangmaatregelen te treffen tegen de eigen bevolking, met name daar dus om de West-Friezen in toom te houden. Wij hadden nog niet eerder van dwangburchten gehoord. Een aantal ervan heeft de tand des tijds goed doorstaan, zoals die burcht in Medemblik en toen ik op internet andere burchten bekeek vond ik ze inderdaad op grote gevangenissen lijken. Het zijn vestingwerken, net als de citadels, die wij eens bezochten op Corsica en in Luik.

Terugkijkend naar de foto’s van dit uitstapje vond ik een foto met daarop een gevelbord waarop vier kinderen in klederdracht staan afgebeeld. Zonder uitleg moest ik dit nazoeken en het bleek om vier weeskinderen te gaan, afgebeeld op het prachtige  poortgebouw uit 1785, dat naast een voormalig weeshuis staat. Dat gebouw is daarna nog als bejaardenhuis gebruikt, maar gelukkig niet voor die voormalige wezen want die waren toen al zo’n honderd jaar eerder overleden.

Een levensgroot bronzen beeld van twee figuren beeldt “de beste stuurlui” uit. Jos zette zich ertussenin in met een lichtblauw shirtje aan en ik maakte lachend de veelzeggende foto. Het beeld is van Jan J. van Velzen die het in 1989 vervaardigde. Van Velzen, geboren in 1931 in Medemblik, maakte in de tachtiger en negentiger jaren van de vorige eeuw meerdere levensgrote bronzen beelden. Eerder maakten we kennis met een andere kunstenaar die werd geboren in Medemblik en dat was schilder Rotius, die leefde van 1624 tot 1666. In het Rijksmuseum hangen slechts enkele doeken van deze schilder, maar in Hoorn is hij de grote meester van het West-Fries museum. Wij kochten een overzichtsboek van deze schilder toen we in Hoorn verbleven op het moment dat daar een indrukwekkende overzichtstentoonstelling van deze schilder te zien was. Hij was een leeftijdgenoot van Rembrandt en wordt ook wel de Rembrandt van Hoorn genoemd.

                                                                  "De beste stuurlui"

Wat we beter niet hadden kunnen meemaken in Medemblik is de lunch die ons werd geweigerd. Lopende in het mooie stadscentrum gingen we op het eerste de beste terras zitten “Rumours” geheten en bestelden een uitsmijter voor Jos en een maaltijdsalade voor mij. De juffrouw die ons hielp vertelde dat het misschien niet mogelijk was dus deed ze navraag bij de kok. Even later vertelde ze dat we er niet konden eten in verband met de trein die eraan kwam. Wij waren zeer verbaasd, want wat was er met die trein en welke trein? Eigenlijk konden we er ook niks drinken en toen ik vroeg of we dan maar beter konden opstappen, zei ze “ja”. We verlieten heel verbaasd het terras, waar meerdere gasten zaten en die nuttigden er wel iets. Nadenkend waarop wij werden gediscrimineerd liepen we verder te mopperen, wat de mensen bij het volgend terras natuurlijk konden horen. Zij nodigden ons uit om bij hun te eten en dus bestelden we hetzelfde. De trein bleek een toeristisch stoomdingetje aan wie die eettent een speciaal tarief had beloofd, erop hopende dat alle treinreizigers daar als gasten zouden eten. Toen we goed en wel lekker zaten te eten op het volgende terras zagen we de “treinreizigers” het stadje inlopen, die het gedurfd hadden die tent voorbij te lopen en zelf iets te zoeken. We zagen dat het terras bij lange niet vol zat en dat deed ons genoegen. Zo’n slecht zakenbeleid hadden we niet eerder meegemaakt. Een hele tijd erna, toen we weer thuis, 1200 kilometer verderop waren, schreef ik alsnog een recensie en haalde aldus mijn gram, omdat ik dat deelde op Facebook en op Google.

Voor een bezoek aan welke gemeente dan ook moeten we eigenlijk de tekst die Wikipedia of de Gemeente aanbiedt aan informatie meebrengen. Helaas bezoeken wij al deze stadjes spontaan en gaan af op louter de gezelligheid. Die gezelligheid vonden we zeker in Medemblik. Het ligt er prachtig bij aan het water. Overal is water, er is een molen, een haventje met mooie zeilboten, die geen van allen waren opgetuigd, er waren mooie winkelstraatjes, met een goed aanbod van winkels, scheef gezakte oude huisjes, trapgeveltjes. Het is een sfeervol plaatsje en “oude grond” zoals ik dat noem, waarmee ik uitdruk dat al in oude tijden de mensen er gelukkig waren, al dan niet vanwege de dwangburcht die dreigend aanwezig was. Het is een informatief bezoek geworden.


NEHALENNIA

In de 17e eeuw werd in de monding van de Schelde een steen gevonden die ter ere van godin Nehalennia was gegraveerd. Waarschijnlijk als dank voor het behoud van terugkerende schippers.
De steen komt uit de 2of 3e eeuw na Christus. Er zijn niet alleen dit soort stenen gevonden, maar ook stenen altaren en zelfs resten van tempels uit dit gebied, die te zien zijn in het Rijksmuseum van Oudheden. Nehalennia werd vaak zittend afgebeeld met een hond naast zich. De in Hulst in 1940 geboren kunstenaar Guido Metsers maakte in 1989 een levensgroot bronzen beeld van deze oude Keltische godin. Of was het een Germaanse godin? Dit beeld is te zien op de boulevard van Schagen in Domburg. Er werd ook in de oude tijd al veel handel gedreven door en met Duitsland ofwel de Germanen.

Misschien heeft het voortdurend aanroepen van deze godin zeventien eeuwen later in 1989, geresulteerd in de wereldberoemde Oosterscheldekering. Deze negen kilometer lange dam maakte van de eilanden Schouwen-Duivenland en Noord-Beveland, vaste land. Of toch niet? Want in de zestiger en zeventiger jaren van de vorige eeuw werden er drie eilanden bijgelegd, de zogenaamde "werkeilanden". Het is niet vreemd dat een voormalige zandplaat het werkeiland werd voor deze werken. Die oude zandplaat droeg al sinds oude tijden haar naam: Nehalennia, of Neeltje Jans.

Met enkele Franse vrienden hebben we dat museumachtig werkeiland bezocht. Niet alleen zij waren onder de indruk van de Deltawerken en zoals het een Nederlander betaamt was ik maar al te gretig om hen alles te vertellen wat hierover in het museum voorhanden is. Ook Jos en ik zagen de grootsheid in van deze werken. Met dit grootse werk werd ook het milieu gespaard, doordat over een aantal kilometers schuiven ! werden geplaatst die normaal open staan, zodat het gewone zeewater en de getijden hun gang kunnen gaan in het anders dode water. Hoe anders beleef je deze waterwerken in het echt, dan wanneer je er plaatjes, maquettes of documentaires over ziet. Enorm, enorm.

Het leverde mij een mooie lepel op met de afbeelding van de Oosterscheldekering daarop en daarbij bedenk ik dat misschien toch de goden stapje-voor-stapje wetenschap en inzicht geven aan ons, mensen, voor het vele dat in de loop der eeuwen tot stand is gekomen. We hebben nog vele duizenden jaren nodig om land te maken en water te bedwingen. En wellicht dat dan Nederland alsnog onder water zal verdwijnen, maar dat is misschien de goden verzoeken.


NIEUWPOORT

Opgenomen in mijn lepelverzameling zit bij “personen” een prachtig afgewerkte lepel die niet met een nep munt is beplakt maar echt is gegraveerd en versierd met een kroontje, met daarop de beeltenis van Claus en Beatrix. Daar direct onder, een strikje met hun namen en in de lus van de strik staat 10 maart 1966. In de steel aan de voorkant is gegraveerd:  “’t hart zij tolk voor oranje en volk”. In de achterkant staat in de munt: “Nieuwpoort 90”. 
Nieuwpoort 90? Wordt hier de stad Nieuwpoort bedoeld? In België bestaat ook een kustplaats met die naam en is daar bekend om de slag bij Nieuwpoort rond 1600. In Nederland is Nieuwpoort een vestingstadje aan de Lek uit de dertiende eeuw, dat zou zijn opgenomen in de sinds 2013 nieuwe gemeente Molenwaard. Molenwaard bestaat uit de gemeentes Nieuw-Lekkerland, Liesveld en Graafstroom. Nieuwpoort staat daar niet bij! Nieuwpoort is ook een buurtschap in Alkmaar. Ik googelde “Nieuwpoort 90” en vond een interessante website van de Vereniging Historische Kring Nieuwpoort. Maar het Historisch Museum Het Stadhuis bleek niet geïnteresseerd in mijn lepeltjes, getuige het openingsbericht op de website waarvan ik een gedeelte hieronder heb overgenomen.

04 juli - Nieuwpoort zilver, Pieter Baardwijk en zonen.
In de maanden september en oktober houdt de Historische Kring Nieuwpoort een expositie met deze naam in Historisch Museum Het Stadhuis.

Op de tentoonstelling toont de vereniging niet alleen door Pieter Baardwijk vervaardigde zilveren voorwerpen uit de periode 1920-1942, maar ook zilveren en verzilverde voorwerpen die door de Gebr. Baardwijk zijn gemaakt in de Zilverfabriek Nieuwpoort tussen 1942 en 1957. 
Ook zullen voorwerpen te zien zijn die in de latere jaren zijn gemaakt in de Zilver- en Staalwarenfabriek.

Er is een inventarisatie gemaakt van de beschikbare objecten. Daaruit blijkt dat we van sommige voorwerpen nog zaken missen. Natuurlijk niet de lepeltjes, suikerschepjes e.d. waaraan bijna iedereen in Nieuwpoort wel heeft mee gepoetst.
Ondanks dat onderhavig lepeltje dateert uit 1966, dus na de gevraagde periode, voelde ik me door die tekst over lepeltjes behoorlijk in de kou gezet en besloot dat de organisatie van de tentoonstelling te vertellen. Dan moest ik ze ook vertellen dat ik mijn lepeltjes nog nooit had gepoetst en dat dat ook niet nodig was, wanneer ze die beter zouden opslaan, zoals ik dat deed. Verder lezend over Nieuwpoort nam ik me voor om het perfect gerestaureerde vestingstadje hetzelfde jaar nog te bezoeken. Er op een terrasje koffie te drinken en er, zoals de site beloofde, gezeten op een bankje aan de Lek, over het water kijken. Ik zou natuurlijk de tentoonstelling bezoeken, alleen al om alle lepeltjes te zien die daar natuurlijk waren en de overige zilveren kostbaarheden die tijdelijk waren ondergebracht in het Historisch Museum, het voormalige stadhuis. Ik was benieuwd naar “Het Arsenaal”, een van de fraaiste gebouwen uit de stad.

Enkele maanden later was ik daar. Samen met mijn dochter en kleindochter bezochten we niet alleen de tentoonstelling waar veel meer te zien was dan lepeltjes, maar we dronken ook inderdaad koffie aan de Lek en we genoten van de gebouwen en gebouwtjes in de nauwe straatjes overal. De zon scheen. Ik had alweer een mooi stukje Nederland ontdekt dat voor mij totaal onbekend was.

In het jaar dat prinses Beatrix met prins Claus trouwde was ik net vijftien geworden en zie hun huwelijk op tv alleen terug met rookbommen omgeven, omdat de media vrijwel alleen dat nog over dit huwelijk uitzendt. In mijn herinneringen echter was het een sprookjeshuwelijk. De schoonheid van de bruid en de ernst van beiden. Een gelukkig huwelijk had deze prinses met de prins van haar dromen. Als ik de lepel in mijn handen heb keer ik terug naar mijn jeugd, naar mijn muziek, mijn vriendjes, school en uitgaan. Mijn wereld waarin ik jong was, geen mobieltje had, en geen internet, maar lp’s, en een telefoon in de gang, door pa bewaakt. Mijn eerste baantje, mijn eerste vriendje, door pa bewaakt.

BATAVIA

Flevoland, Lelystad, Batavia

Mijn manier om de toerist uit te hangen in Nederland is geen foto te maken van iets typisch uit die stad, maar wel de aanschaf van een toeristische theelepel. Meestal vind ik ze in het toeristenkantoor, tussen allerlei souvenirs, en hebben ze daar kennis van stad en streek die ik bezoek. Ik krijg er altijd een plattegrond en dan is mijn dag helemaal goed. Intussen heb ik al honderden lepeltjes en bescherm me tegen allerlei toeristenobjecten, die op enig moment in de kliko belanden.
De lepeltjes niet, die leg ik gewoon, als fotootjes weg.

De provincie Flevoland bestond nog niet toen ik op de basisschool zat. Intussen doet Flevoland goed mee. Mijn enige toeristenlepel uit Flevoland draagt de naam Batavia en deze lepel hoort misschien wel thuis tussen de reclamelepels, als hier het bijna nationale koopcentrum mee wordt bedoeld. Ik heb geen idee waar ik deze lepel vandaan heb.

Ik houd het er echter op dat zowel de lepel als de naam van het winkelcentrum genoemd zijn naar het beroemde schip dat in 1628 in Lelystad gebouwd werd en de naam Batavia droeg. Omdat Flevoland waterbouwkundig waarschijnlijk de meest belangrijke provincie is van Nederland, is zo'n lepel voor mij noodzaak. Voor mij een gemis dat ik geen enkele lepel heb die aan deze inpoldering en landaanwinst refereert. Met name van de Flevopolder, nog steeds het grootste kunstmatige eiland ter wereld. 

We bezochten kortgeleden de Afsluitdijk. En we bezochten het indrukwekkende standbeeld van Ir. Lely dat bij het monument op de Afsluitdijk is geplaatst. Ir. Lely was niet alleen een begenadigd ingenieur. Hij is maar liefst drie keer Minister van Waterstaat geweest, terwijl er nog van alles moest gebeuren voordat de Zuiderzeewet er eindelijk in 1918 doorkwam . Ik maakte een foto van het monument, maar een lepel over deze waterwerken vond ik niet. 

De Afsluitdijk trouwens, is geen dijk, maar een dam.

 


HET WONDER VAN WARFHUIZEN

De pelgrim die na zijn ontbijt in onze refuge afscheid van ons nam vervolgde zijn voettocht tot Mont-de-Marsan, de hoofdstad van Landes (40). Van dit departement kocht ik enkele weken voor zijn komst een lepeltje van de heilige Saint-Vincent-de-Paul die daar geboren was. Het plaatsje heette tot 1828 Pouy. Daarna werd het stadje naar deze heilige vernoemd. We bezochten zijn geboortehuis en de hele kermis eromheen. De dames die kerk, huis plus park bestierden informeerden ons ongevraagd zeer uitgebreid. Saint-Vincent deed veel voor vrouwen, de armen en kinderen. Vooral voor zieken, zoals leprozen heeft hij zich ingezet. Saillant detail is dat deze heilige ooit zelf als slaaf werd verkocht en later, na zijn ontsnapping als aalmoezenier, bij de galeislaven ging werken. 
Op 27 september 1660 is deze Franse heilige op negenenzeventig jarige leeftijd overleden. Die dag in september is in Frankrijk de gedenkdag van Sint Vincentius. 
Veel meer is er over deze heilige niet te vinden, ware het niet dat in de Groninger Kluiskerk in Warfhuizen een standbeeld staat van deze heilige Vincent-de-Paul. Ik weet niet hoe dat beeld daar gekomen is. Voor pelgrims zal het geen geheim zijn dat Warfhuizen een katholiek bedevaartsoord is, wat overigens niets met St.-Vincent-de-Paul, of zijn beeltenis te maken heeft, maar met het daar in 2003 geplaatste Mariabeeld van beeldhouwer Muguel Moreno uit Sevilla. Het prachtige beeld dat naar Andalusisch voorbeeld is gemaakt heet: “Onze Lieve Vrouwe van de Besloten Tuin”. In 2001 werd in deze voormalig hervormde kerk een kluis en kapel gesticht. De kluis is een klein afgescheiden gedeelte in het gebouw dat in afzondering wordt bewoond door broeder Hugo, een heremiet. Een kluizenaar dus. Overigens is dit de jongste en enige kluizenarij in Nederland. Nadat het Mariabeeld geplaatst werd kwamen er Spanjaarden de afgelegen kerk in Noord-Groningen bezoeken, vanwege het prachtige bedroefde Mariabeeld van Moreno. Later kwamen er ook steeds meer Brabanders, Limburgers en Belgen naar de kluiskerk. Andere Nederlanders en andere nationaliteiten volgden hun voorbeeld. Het werd allengs drukker en slechts tien jaar nadat de kluiskerk werd gesticht is Warfhuizen een heus bedevaartsoord geworden. Dit wonder van Warfhuizen is op zijn minst wonderlijk te noemen.
Volgens Wikipedia wordt de feestdag van Saint-Vincent-de-Paul in Nederland gevierd in juli en daar is een vergissing gemaakt met Sint Vincentius die op 14 juli in 677 overleed. Deze heilige werd bijna duizend jaar eerder geboren in 607 als Merovinger graaf. Hij trouwde met Waltrudis en het echtpaar deed veel voor geloof en gemeenschap. De graaf stichtte op zijn eigen landgoed in Zinnik in Henegouwen een abdij en hij stichtte een abdij in Hautmont een plaatsje in departement Nord in Frankrijk. Zijn vrouw stichtte een klooster tussen Zinnik en Hautmont, dat zou uitgroeien tot de Waalse stad Bergen. De heilige gravin Waltrudis kreeg vier kinderen met de graaf en zij werd patroonheilige van de stad Bergen. Zinnik is bekend door het Belgisch arduin, een blauwige hardsteen; geliefd bij beeldhouwers, door de versteende fauna die vaak nog is terug te zien in de beelden die van de stenen zijn gemaakt. Deze fossielen, veelal schelpen komen uit de zeebodem.
De gedenkdag van Sint Vincentius is derhalve 14 juli in Nederland en België.
Het verhaal hield me wekenlang bezig en intussen heeft de pelgrim ook nog wel drie weken gelopen voor hij in Mont-de-Marsan aankwam.